Vaarregels recreatie- en beroepsvaart
Bron: Varen doe je samen.
Algemene vaarregels
Houd op het vaarwater zoveel mogelijk stuurboordwal (rechterkant) aan. Ook binnen de betonde vaargeul.
Pas uw koers en snelheid tijdig aan, wanneer u voorrang verleent aan een ander schip. Laat goed zien welke koers u vaart en geef elkaar de ruimte om te manoeuvreren.
Voorkom gevaarlijke situaties en schade aan andere schepen door alert te zijn op hinderlijke golfslag of zuiging van uw schip. Minder tijdig vaart.
Een klein schip moet op zijn motor een snelheid van minstens 6 km/uur kunnen behalen op grote wateren, rivieren en kanalen. Daar varen immers ook de binnenvaart en zeevaart.
Voor de Westerschelde geldt een aanvullende algemene regel. In smalle hoofdvaargeulen voor de zeevaart, zoals in het Nauw van Bath, de Bocht van Walsoorden en in de Sardijngeul en Oostgat voor Vlissingen en Zoutelande, moeten schepen tot 12 meter lengte zoveel mogelijk buiten de hoofdvaargeul varen.
Grote schepen mogen in sommige situaties aan bakboordwal (aan de linkerkant) varen. Bijvoorbeeld om sterke stroming te ontwijken of bij het invaren van een haven. Wie aan bakboordwal vaart, toont een blauw bord met wit flikkerlicht voor tegemoetkomende vaart. Dit betekent stuurboord op stuurboord passeren. Een klein schip passeert dus zoveel mogelijk aan de zijde van het blauwe bord. Uiteraard als de situatie zich daarvoor leent.
Op de Westerschelde, het Kanaal van Gent naar Terneuzen en de Eemsmonding is het blauwe bord niet van toepassing.
De belangrijkste voorrangsregels
Kleine schepen (tot 20 meter lengte) verlenen altijd voorrang aan grote schepen (langer dan 20 meter). Veerponten, passagiersschepen, sleep- en duwboten en vissersschepen, die in bedrijf zijn, hebben altijd de rechten van 'groot'. Ook als ze korter zijn dan 20 meter.
Wie in de betonde vaargeul aan stuurboordzijde van het hoofdvaarwater vaart, heeft voorrang op schepen die het hoofdvaarwater op willen varen. Een uitzondering hierop zijn schepen die uit een betond nevenvaarwater komen varen. In deze situatie moeten kleine schepen op het hoofdvaarwater voorrang verlenen aan grotere schepen die van het betond nevenvaarwater komen.
Een klein motorschip (tot 20 meter) moet voorrang verlenen aan een klein zeilend schip (tot 20 meter) of een roeiboot, als hun koersen kruisen en geen van de schepen aan stuurboordwal vaart. Een grote motorboot of een groot zeilschip verleent in deze situatie voorrang aan het schip dat van stuurboord nadert.
Voor kleine motorschepen onderling geldt: als hun koersen kruisen en geen van de schepen aan stuurboordwal vaart, krijgt het schip dat van stuurboord nadert voorrang.
Een klein zeilschip met het zeil over bakboord heeft voorrang op een klein zeilschip met het zeil over stuurboord. Varen ze met het zeil over dezelfde boeg, dan wijkt loef voor lij, ofwel, het schip dat het hoogst aan de wind vaart, heeft voorrang.
Wie vanuit een haven of nevenvaarwater een hoofdvaarwater opvaart dan wel oversteekt of andersom, mag andere vaarweggebruikers niet hinderen. Kleine schepen moeten altijd voorrang verlenen aan grotere schepen. NB. Het bord B.9 betekent dat schepen op het hoofdvaarwater altijd voorrang hebben.
Op de Waal, Nederrijn, Lek en het Pannerdensch Kanaal geldt een aanvullende voorrangsregel. Wanneer een afvarend schip wil keren om bijvoorbeeld een haven in te varen, verleent dit schip voorrang aan een opvarend schip dat de haven wil bereiken. Een afvarend schip vaart met de stroom mee, een opvarend schip tegen de stroom in.
Sluizen en beweegbare bruggen
Voorkom hinderlijke golfslag op de wachtplaatsen wanneer u een sluis nadert of uitvaart of wanneer u een beweegbare brug passeert.
Schepen moeten de sluis invaren in volgorde van aankomst. Dat geldt ook voor het afmeren op de wachtplaats. Bij sluizen waar de beroeps- en recreatievaart samenkomen, vaart beroepsvaart het eerste de sluis in, tenzij de sluismeester anders aangeeft. Dit gebeurt dan vanuit het oogpunt van veiligheid en vlotheid. Voor recreatievaart geldt hier: wacht met invaren totdat de beroepsvaart de trossen vast en schroeven uit heeft. Houd afstand tot grote schepen. Schroeven uit in sluizen is verplicht!
Houd rekening met het verval in de sluis en zorg dat u de touwen (landvasten) tijdig kunt laten vieren of aanhalen.
Vaar vlot door als de brug opengaat. Laat het wegverkeer niet onnodig wachten.
Marifoongebruik
Voor de beroepsvaart is minimaal één marifoon verplicht (soms twee marifoons). De recreatievaart hoeft niet verplicht een marifoon aan boord te hebben. Maar op de grote wateren maakt het gebruik van een marifoon het varen wel een stuk veiliger.
Met een marifoon kunt u immers communiceren met de verkeersposten, kustwacht, bedienaars van sluizen en bruggen en andere schepen. Hierbij geldt altijd: houd gesprekken kort en bondig. Wie een marifoon heeft, moet een bedieningscertificaat en het handboek Marifonie aan boord hebben.
Zie voor nadere informatie: www.agentschaptelecom.nl |